Bijzondere verrichtingen

Bijzondere manoeuvres Autorijexamen CBR

Bijzondere manoeuvres – Bijzondere verrichtingen. Per 1 januari 2008 is het startschot gegeven voor de invoering van de bijzondere manoeuvres, welke de bijzondere verrichtingen bij het examen-B bij het CBR hebben vervangen. Alhoewel de basisprincipes van de bijzondere verrichtingen als uitgangspunt voor je voertuigbeheersing nog uitstekend van pas komen, zullen de accenten op een grotere keuzevrijheid en meer zelfstandigheid -bij de uitvoering van je opdrachten- komen te liggen.

Zelfstandigheid

Jij als kandidaat geeft door de nieuwe wijze van examineren een nauwkeuriger beeld van je kunnen, inzicht en gedrag binnen het dagelijks verkeer. Feitelijk sluit de nieuwe wijze van examineren dus meer aan op de praktijk, waarin je -na het behalen van je rijbewijs- ook steeds adequaat en veilig moet reageren op steeds wisselende verkeerssituaties.

Welke opdrachten kun je verwachten op je examen?

  • De Omkeeropdracht
    Bij de omkeeropdracht krijgt de kandidaat al rijdende te horen dat hij de weg in tegenovergestelde richting moet gaan volgen. De kandidaat kiest zelf de plaats en de wijze waarop hij keert. Hij kan dit doen via een halve draai, steken, een bocht achteruit, of een combinatie van deze 3. De kandidaat moet laten zien dat hij op basis van een goede inschatting van de verkeerssituatie tot een adequate oplossing komt.
  • De Parkeeropdracht De examinator kan ook kiezen voor een parkeeropdracht in een straat of op een parkeerterrein. Hierbij krijgt de kandidaat de opdracht om de auto zo dicht mogelijk bij een opgegeven locatie te parkeren. Dit kan bijvoorbeeld de ingang van een winkelcentrum zijn. Ook hier bepaalt de kandidaat zelf hoe hij de parkeeropdracht uitvoert.
  • De Stopopdracht Verder is een stopopdracht mogelijk. Daarbij moet de kandidaat zo kort mogelijk achter een ander voertuig stoppen, om aansluitend vooruitrijdend weer aan het verkeer deel te nemen. Dit kan zowel aan de linker- als rechterzijde van de rijbaan. Hierbij is het van belang dat de kandidaat een juiste inschatting heeft van de lengte van de neus van de auto.

Van deze drie kiest de examinator er twee. Daarnaast kan de examinator steekproefsgewijs de hellingproef laten uitvoeren.

Bij de uitvoering van de bijzondere manoeuvres is niet alleen het technische aspect belangrijk. Er wordt vooral ook gelet op de keuzes die daaraan vooraf gaan, zoals de plaats, het moment en de wijze waarop de kandidaat de opdracht uitvoert.

Waar houd je rekening mee

  • bewaar je rust, neem de tijd, kijk en handel goed en ken de regels;
  • voor de uitvoering van je opdracht zoek je een veilige en logische plek, maak het jezelf niet te moeilijk;
  • wees duidelijk naar het overige verkeer, geef indien nodig een signaal met richtingaanwijzer of alarmlichten;
  • hinder zo weinig mogelijk verkeersstromen bij de uitvoering, blijf dus zo veel mogelijk op je eigen weghelft;
  • vermijd -met uitzondering van vakparkeren e.d.- achteruitrijden zo veel mogelijk. Achteruitrijden is het minst veilig en het is lastiger om overzicht te behouden op het overige verkeer;
  • lees onderstaande artikelen van het RVV (54 + 55) goed door en pas -dat wat beschreven is in deze artikelen- toe bij uitvoering van de manoeuvres. Het juist gebruik van de richtingaanwijzer geeft duidelijkheid en moet je als bestuurder toepassen.

RVV = Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens Artikel 54.

Bestuurders, die een bijzondere manoeuvre willen uitvoeren, moeten het overige verkeer vóór laten gaan.

Bijzondere manoeuvres zijn:

  • Wegrijden;
  • Achteruit rijden;
  • Van een uitrit de weg oprijden, of van een weg een inrit oprijden. (voorkeur verdient: de bestuurder die uit de uitrit komt, vóór laten gaan);
  • De doorgaande rijbaan = autosnelweg via de invoegstrook oprijden en de doorgaande rijbaan via de uitrijstrook verlaten. (bij een gecombineerde invoeg- uitrijstrook verdient het de voorkeur degene die de doorgaande rijbaan = snelweg verlaat vóór te laten gaan; dit bevordert de doorstroming op de autosnelweg);
  • Wisselen van rijstrook (daarom altijd goed over de schouder kijken en in de ‘dode hoek’);
  • Keren (dit geldt dus ook bij de uitvoering van de bijzondere verrichting/manoeuvre).

RVV = Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens Artikel 55

Bestuurders van motorvoertuigen en (bromfietsen) moeten een teken met hun richtingaanwijzer (of arm) geven, indien zij:

  • Willen wegrijden (bij elke beginnende deelname aan het verkeer);
  • Andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen;
  • De doorgaande rijbaan of snelweg willen oprijden, of deze willen verlaten;
  • Bij het wisselen van rijstrook;
  • Bij alle belangrijke zijdelingse verplaatsingen (als indicatie: iedere inhaalmanoeuvre, méér dan de breedte van een fietser).


Contactformulier

Inschrijven of proefles? Wij nemen graag contact met jou op.
(Of bel 020-489 08 01)